reizen
The verb 'reizen' describes the act of journeying or traveling to different locations.
reizen 30秒で
- To travel from one location to another over a distance.
- Commonly associated with vacations, business, and exploring new places.
- A regular Dutch verb used with 'met' for transport modes.
Overzicht
Het werkwoord 'reizen' is een essentieel onderdeel van de Nederlandse taal, vooral omdat Nederlanders bekend staan om hun reislust. Het beschrijft de handeling van het verplaatsen van punt A naar punt B, waarbij de nadruk ligt op de activiteit van de verplaatsing zelf, niet alleen op de aankomst. Het is een regelmatig (zwak) werkwoord, wat betekent dat de vervoeging voorspelbaar is volgens de standaardregels van de Nederlandse grammatica.
Gebruikspatronen
In de tegenwoordige tijd vervoeg je het als volgt: ik reis, jij reist, hij/zij/het reist, wij reizen. In de verleden tijd wordt het 'reisde' (enkelvoud) en 'reisden' (meervoud). Het voltooid deelwoord is 'gereisd'. Een belangrijk aspect is het gebruik van voorzetsels. Men reist 'met' een vervoermiddel (trein, bus, vliegtuig) en 'naar' een bestemming. Ook kun je 'door' een land reizen of 'langs' een bepaalde route.
Veelvoorkomende contexten
'Reizen' wordt het meest gebruikt in de context van recreatie en toerisme. Bijvoorbeeld: 'Ik ga deze zomer door Europa reizen.' Daarnaast is het gebruikelijk in een zakelijke context, zoals 'reizen voor werk' of 'zakenreizen'. In de moderne tijd wordt het ook figuurlijk gebruikt, zoals 'reizen met je geest' door middel van literatuur of meditatie.
Vergelijking met soortgelijke woorden
'Reizen' wordt vaak verward met 'rijden' of 'gaan'. Het verschil is dat 'rijden' specifiek verwijst naar het besturen of inzitten van een voertuig op wielen. 'Gaan' is een zeer algemeen werkwoord voor beweging. 'Reizen' daarentegen impliceert vaak een langere duur, een grotere afstand of een specifiek doel zoals ontdekking. Een ander woord is 'vertrekken', wat alleen het moment van weggaan benadrukt, terwijl 'reizen' het hele proces van de tocht omvat.
例文
Ik reis elke dag met de bus naar mijn werk.
everydayI travel by bus to work every day.
De afgevaardigden reizen morgen naar Brussel voor de conferentie.
formalThe delegates are traveling to Brussels tomorrow for the conference.
Zullen we deze zomer samen gaan reizen?
informalShall we go traveling together this summer?
Het fenomeen van reizen in de vroege middeleeuwen was beperkt tot pelgrims.
academicThe phenomenon of travel in the early Middle Ages was limited to pilgrims.
よく使う組み合わせ
よく使うフレーズ
Goede reis!
Have a good trip!
Veel reizen
To travel a lot
よく混同される語
文法パターン
使い方
使い方のコツ
In Dutch, 'reizen' is neutral in formality and can be used in almost any context. It is often used as a gerund (het reizen) to discuss travel as a hobby. When talking about short commutes, Dutch people often prefer 'reizen' over 'pendelen' (commuting) in casual speech, though 'reizen' implies a more significant distance.
よくある間違い
English speakers often try to use 'door' for 'by train' (door de trein), but you must use 'met'. Another mistake is using the 'z' in the first person singular (ik reiz), which is incorrect; it must be 'ik reis'. Lastly, don't confuse 'reizen' with 'vakantie vieren', which specifically means celebrating/having a holiday.
ヒント
Use 'met' for modes of transport
Watch the 's' and 'z' spelling
Dutch love for travel
語源
Derived from Middle Dutch 'reisen', which meant 'to set out' or 'to go on a journey'. It is related to the English word 'rise'.
文化的な背景
Traveling is a core part of Dutch identity, with many people taking multiple trips per year. The 'NS' (Dutch Railways) is the primary way many people 'reizen' within the country.
覚え方のコツ
Think of the word 'Rise' – you rise from your seat to start 'reizen' (traveling). Just remember the 's' changes to a 'z' in the long form.
よくある質問
4 問自分をテスト
Wij ___ volgend jaar naar Japan.
Het onderwerp is 'wij' (meervoud), dus we gebruiken de infinitiefvorm 'reizen'.
Ik reis graag ___ de trein.
In het Nederlands gebruik je 'met' om aan te geven welk vervoermiddel je gebruikt.
houdt - van - zij - reizen - veel
De standaard zinsbouw is Onderwerp + Persoonsvorm + Rest.
スコア: /3
Summary
The verb 'reizen' describes the act of journeying or traveling to different locations.
- To travel from one location to another over a distance.
- Commonly associated with vacations, business, and exploring new places.
- A regular Dutch verb used with 'met' for transport modes.
Use 'met' for modes of transport
Watch the 's' and 'z' spelling
Dutch love for travel
例文
4 / 4Ik reis elke dag met de bus naar mijn werk.
I travel by bus to work every day.
De afgevaardigden reizen morgen naar Brussel voor de conferentie.
The delegates are traveling to Brussels tomorrow for the conference.
Zullen we deze zomer samen gaan reizen?
Shall we go traveling together this summer?
Het fenomeen van reizen in de vroege middeleeuwen was beperkt tot pelgrims.
The phenomenon of travel in the early Middle Ages was limited to pilgrims.
関連コンテンツ
関連フレーズ
関連語彙
旅行の関連語
aankomen
B1To arrive or to gain weight.
aankomst
B1The act of arriving
auto
A1Car
bestemming
B1The place to which someone or something is going.
bezoeken
A2To go to see a person or place.
boot
A1A small vessel for water travel
buitenland
B1Foreign countries.
buitenlands
B1Belonging to a foreign country.
bus
A1Bus
centrum
A2The middle part or city center.